Inleiding

Voor mij stond er nooit een vraagteken achter christelijk gereformeerd, en het uitroepteken was niet nodig. Mijn liefde voor en verbondenheid met de CGK is voor mij persoonlijk allereerst biografisch en vervolgens vooral principieel. Ik heb de CGK altijd gewaardeerd om de beginselen: staan op de basis van de Bijbel als Gods heilig Woord, richtsnoer voor leer en leven; dus niet alleen als bron, maar ook als norm, waardoor wij ons laten leiden. Bijbelgetrouw dus. De CGK zijn kerken van gereformeerd belijden: hier liggen onze historische wortels en dat zijn tegelijk geestelijke wortels, principiële wortels. De Schriftgetrouwheid en confessionaliteit gaven de Afgescheidenen hun bestaansrecht.

En dan niet te vergeten de gereformeerde (Dordtse) kerkorde, die ons op twee manieren helpt: zij leert ons om in het presbyteriale-synodale stelsel de dingen samen te doen, en bewaart ons bij de binding aan Gods Woord en de gereformeerde belijdenis.  

Het congregationalisme (dat alleen de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente kent en verder alleen via christelijke platforms welwillend kan informeren naar elkaars welstand, adviezen kan geven en via organisaties en stichtingen allerlei christelijk werk samen kan doen) – kent geen bindende besluiten waaraan we samen gehouden zijn op grond van Gods Woord. Daar zit hét verschil met het presbyteriale-synodale stelsel. Dat zegt: we zijn niet alleen plaatselijk gemeente van Christus, lichaam van Christus en onderworpen aan het liefdevolle gezag van het Hoofd van het lichaam, de Koning van de kerk, maar we zijn het ook samen. Daarom kunnen onze kerkelijke vergaderingen bindende besluiten nemen waaraan wij ons hebben te houden.

Het is geheel vrijwillig om wel of niet samen met andere kerken die met ons buigen onder het gezag van de Schrift en met ons de gereformeerde belijdenis liefhebben en hooghouden kerk te zijn en samen de wil van de Heere te zoeken in de complexe tijd waarin wij leven. Maar wie eenmaal vrijwillig tot dat verband is toegetreden mag met dit beginsel niet vrijblijvend omgaan.

Prof. J. Hovius heeft in zijn rectorale rede uit 1962 gewezen op het onlosmakelijke verband tussen belijdenis en kerkorde. Hovius verwijst naar het Convent van Wesel (1568) waar min of meer de grondslagen gelegd zijn voor de opbouw van kerken van de Reformatie in de Nederlanden. Hier werd veel vrijheid voor de plaatselijke gemeente gegeven in middelmatige zaken. In H.1,11 staat echter te lezen: Die dingen echter, welke van een andere aard zijn, omdat zij òf in Gods Woord òf in het gebruik en het voorbeeld der Apostelen òf in de voortdurende en op ernstige en noodzakelijke redenen steunende gewoonte der kerken gegrond zijn, daarin zal men niet lichtvaardig van de (al-)gemene overeenstemming der kerken en de ingewortelde gewoonte afwijken.

Het is met name op dit punt dat er de laatste tijd ontzettend veel mis is gegaan en er een onaanvaardbare druk op het kerkelijke leven is gekomen.

Is de vrouw in het ambt een middelmatige zaak? Dat zou misschien kunnen, maar het staat niet aan een plaatselijke gemeente om dat vast te stellen. De vraag is of de kerken samen het zo vinden. Het antwoord is nee. Niemand kan ontkennen wat de duidelijke lijn is die de kerken gezamenlijk hebben uitgezet en volgehouden tot nu toe. Wat gebeurt er nu vervolgens?

Vervolgens zijn er plaatselijke gemeente die zeggen: de synode moge dit van mening zijn, maar voor onze gemeente is een andere lijn heilzaam en die volgen wij: het belang van de plaatselijke gemeente gaat boven dat van het kerkverband. Nu, dat kan voor die gemeente waar zijn.  Maar dat is wel ingrijpend en heeft consequenties. Het woord voor dit type opstelling is: independentisme.

Het independentisme kan niet samengaan met het presbyteriale-synodale stelsel, want:

  1.  het ondermijnt het. Het is niet mogelijk om selectief om te gaan met de beloofde binding aan wat de kerken samen hebben gevonden.
  2. Ook dient men de precedentwerking die hiervan uitgaat niet te onderschatten, wanneer deze opstelling om de lieve vrede wil wordt gedoogd, zodat bij tal van andere onderwerpen te verwachten is dat -misschien wel steeds meer- kerken zich independent opstellen. Triest als de kerkelijke vergaderingen daar dan zelf de ruimte voor creëren.

Wat te doen dus met kerken die zich independent opstellen?

Het antwoord dat de kerken zelf hierop gegeven hebben is (stap 1) : kerkelijke vermaning. Nu dat is op zich best heftig, maar wel correct. Maar op dit punt aangekomen zien we al een vertakking ontstaan, want de ene classis doet dit wel en de andere niet. Op deze manier tekent zich al af dat het kerkelijke samenleven bezig is af te brokkelen. Maar is er wel een stap 2? Wie stap 1 serieus meent en serieus neemt, die begrijpt dat het niet de keuze kan zijn om de verdere afbrokkeling van het kerkelijke leven maar op zijn beloop te laten.  Op het spel staat de vraag of wij CGK kunnen zijn en blijven op de manier zoals we dat altijd zijn geweest. Bij alle verscheidenheid, maar wel op dezelfde grondslag.

Na mijn bescheiden mening dient er dus een stap 2 te volgen en die zou er zo uit kunnen zien.

  1. Wanneer kerken zich na (herhaaldelijke) vermaning middels bijzondere kerkvisitatie en classicale uitspraak independent blijven opstellen, dient de classis dat te constateren en vast te stellen dat de betreffende kerkenraad voor zichzelf een status aparte creëert.

De consequenties daarvan dienen ook onder ogen gezien te worden.

  • De classis dient ten aanzien van deze status aparte vast te leggen dat wie hiervoor kiest,
  • het recht verliest zich te beroepen op art. 31,
  • alsook het recht om naar meerdere vergaderingen te worden afgevaardigd.
  • Dit vraagt om een aangepaste formulering van een lastbrief voor deze categorie kerken.

De huidige lastbrief voldoet immers niet meer aan de voorwaarden die daarvoor gelden in een presbyteriale-synodale manier van samen kerk zijn.

In aansluiting hierop is er is nog een derde deel van stap twee nodig:

  • naar mijn mening moet de classis – die de gemeente kerkelijk heeft vermaand – uitspreken geen vrouwelijke afgevaardigden in haar midden te kunnen ontvangen.

De afgevaardigde dient namelijk op wettige wijze – en daarmee bedoelen wij: op een wijze die door de  kerken gezamenlijk is vastgesteld en aanvaard – te zijn gekozen. Dat raakt niet alleen de procedure van talstelling, verkiezing, benoeming en bevestiging na approbatie door de gemeente. Het raakt ook de persoon in kwestie.

Voldoet de persoon aan de Bijbelse voorwaarden, waarover de kerken het samen eens zijn? Ook hier is de wettigheid van de verkiezing van deze afgevaardigde in het geding. Zij moge dan door de plaatselijke kerkenraad en gemeente zijn aanvaard, dat geldt niet voor het kerkverband en daarom dient het kerkverband en kunnen de kerkelijke vergaderingen dit niet als wettig aanvaarden.

Nu zeggen kerkenraden die desondanks wel zusters hebben bevestigd of voornemens zijn dat te doen, dat het hen gaat om de plaatselijke gemeente, waarin dit verlangen leeft en waarvoor ruimte is. Landelijk kan het niet, maar plaatselijk wel en geef ons die ruimte.

Mijn vraag is dan: welke garanties hebben deze kerken gegeven dat het bij de plaatselijke situatie blijft? Het antwoord is : geen enkele. Waarom niet? Omdat dat niet kan. De aard van de verkiezing van een ambtsdrager brengt met zich mee dat de betreffende persoon in principe ook afgevaardigd kan worden naar de kerkelijke vergaderingen.

Ik ben nog niet tegengekomen dat deze kerkenraden plechtig beloven en schriftelijk bevestigen dat voor de vrouwelijke ambtsdragers een bepaalde restrictie geldt. Dat zou ook wel erg vrouw-onvriendelijk zijn, en bovendien creëer je dan een soort  tweederangs ambt.

Nee, de ambtsdragers in de CGK hebben allen dezelfde rechten en plichten.

Wat dient de classis dan te doen? Zij dient bij de constituering van de vergadering de lastbrieven te beoordelen en dan vast te stellen dat de betreffende lastbrief niet aan de voorwaarden voldoet waarop wij als kerken samenkomen. Dus die lastbrief wordt in portefeuille gehouden en de zuster krijgt een kopje thee en kan desgewenst als waarnemer plaatsnemen.

In die tussentijd krijgt de betreffende kerkenraad tijd voor bezinning en kunnen zij ervoor kiezen of ze op deze manier – op afstand dus, in een door henzelf gekozen status aparte – bij de CGK betrokken willen blijven of dat ze meer tot hun recht komen in een ander kerkverband waar hun praktijk wordt aanvaard.

De vraag is nu of de komende synode in deze dingen een begaanbare weg kan wijzen. Ik vraag het mij in den gemoede af. Wanneer de synode tot een route besluit als hier geschetst – of een betere die recht doet aan onze manier van samen kerk zijn -, het zijn uiteindelijk de classes die dit in praktijk moeten brengen.

Ten slotte

Ik wil graag CG zijn en blijven, op de klassieke manier; maar wordt het me op deze manier niet onmogelijk gemaakt? Het kerkverband dat mij lief is wordt me afgenomen. Het bestaansrecht van de CGK is in het geding. Het uitgangspunt moet zijn dat zij die gewoon CGK willen blijven, op de basis van het presbyteriale synodale stelsel, dat kunnen voortzetten. Zij die hiermee niet meer congeniaal zijn, dienen zelf de consequenties van hun afwijkend gedrag te dragen en hun keus te bepalen.

Als dat niet gebeurt, zullen de kerken die nu al bezig zijn af te brokkelen, verder uit elkaar groeien en uit elkaar vallen; daar is niemand mee gediend, geen enkele gemeente en zeker de eer van God ook niet. Ik houd mijn hart vast; Quis non fleret? Wie zou niet wenen?

Ds. H. Korving

Meer artikelen